1
zelfstandig naamwoord[C]
Een officieel paspoort: een door de overheid uitgegeven document dat een persoon identificeert en internationaal reizen mogelijk maakt.
'pasas
Uitspraak
Etymologie
Ontleend aan het Litouws via Europees administratief taalgebruik, uiteindelijk verwant aan het Franse passeport en het Duitse Pass.
Voorbeelden
Prieš kelionę patikrinau pasą.
Prieš ke'lionę pati'krinau 'pasą.
Voor de reis controleerde ik mijn paspoort.
Pasas galioja dar penkerius metus.
'Pasas ga'lioja dar pen'kerius 'metus.
Het paspoort is nog vijf jaar geldig.
Oro uoste reikėjo parodyti pasą.
'Oro 'uoste rei'kėjo paro'dyti 'pasą.
Op de luchthaven moest een paspoort worden getoond.
Collocaties
AI-gegenereerd