1
zelfstandig naamwoord[C]
Een radiator; een verwarmingsapparaat, meestal een metalen element dat is aangesloten op een centrale verwarmingsinstallatie en een kamer verwarmt.
radiátorius
Uitspraak
Etymologie
Ontleend als internationaal woord, uiteindelijk uit het Latijn radiātor, van radiāre ‘stralen, uitstralen’.
Voorbeelden
Žiemą radiatorius šildo kambarį.
Žiémą radiátorius šíldo kámbárį.
In de winter verwarmt de radiator de kamer.
Prie lango stovi senas radiatorius.
Prie lángo stóvi sénas radiátorius.
Bij het raam staat een oude radiator.
Synoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd