1
zelfstandig naamwoordmeervoudswoord; [C, U]
sla; een koude schotel van groenten, bladgroenten en soms andere ingrediënten, vaak met dressing
salótos
Uitspraak
Etymologie
Ontleend aan een Europese bron, uiteindelijk verwant aan het Italiaanse insalata en het Latijnse sal ‘zout’, verwijzend naar gezouten of aangemaakte bladgroenten.
Voorbeelden
Per pietus valgiau šviežias salotas.
Per piétus válgiau šviéžias salótas.
Ik heb verse sla gegeten als lunch.
Prie žuvies patiekė pomidorų ir agurkų salotas.
Prie žuviés patiékė pomidórų ir agurkų salótas.
Bij de vis serveerden ze tomaten- en komkommersalade.
Synoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd