1
zelfstandig naamwoord[C], mannelijk; vrouwelijk: sugyventinė
Een mannelijke samenwonende partner; een man die met een ander samenwoont in een op een huwelijk lijkende relatie zonder met die persoon getrouwd te zijn.
sugy'ventinis
Uitspraak
Etymologie
Afgeleid van het Litouwse sugyventi „samen leven, goed met elkaar kunnen opschieten” met het adjectief- en zelfstandig-naamwoordvormende achtervoegsel -inis.
Voorbeelden
Jos sugyventinis dirba užsienyje.
Jos sugy'ventinis 'dirba užsie'nyje.
Zijn samenwonende partner werkt in het buitenland.
Policija apklausė sugyventinį kaip liudytoją.
Po'licija ap'klausė sugy'ventinį kaip liudy'toją.
De politie ondervroeg de samenwonende partner als getuige.
Collocaties
buvęs sugyventinis
gyventi su sugyventiniu
moters sugyventinis
nukentėjusiosios sugyventinis
AI-gegenereerd