1
werkwoord[I]; reflexief/wederkerig werkwoord, gewoonlijk gebruikt met su + instrumentalis
te ontmoeten, af te spreken of samen te komen met een andere persoon, meestal op afspraak of toevallig
susi'tikti
Uitspraak
Etymologie
Vormt een samenstelling van Litouws su- “samen” + tikti “passen, geschikt zijn; toevallig op iets stuiten,” met het reflexieve/reciproque element -si-, wat de betekenis geeft van samenkomen of elkaar ontmoeten.
Voorbeelden
Noriu su tavimi susitikti rytoj.
'Noriu su 'tavimi susi'tikti 'rytoj.
Ik wil morgen met je afspreken.
Mes planuojame susitikti kavinėje po darbo.
Mes pla'nuojame susi'tikti kavi'nėje po 'darbo.
We zijn van plan elkaar na het werk in een café te ontmoeten.
Malonu buvo vėl susitikti.
Ma'lonu buvo vėl susi'tikti.
Het was leuk om elkaar weer te zien.
Synoniemen
Antoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd