1
zelfstandig naamwoord[C]
Een trein: een spoorvoertuig of een aaneengeschakelde reeks rijtuigen of wagons voor het vervoer van passagiers of goederen.
trauki'nys
Uitspraak
Etymologie
Afgeleid van Litouws traukti ‘trekken, slepen’ met het zelfstandig-naamwoordvormende achtervoegsel -inys, oorspronkelijk als benaming voor iets dat wordt getrokken of gesleept.
Voorbeelden
Traukinys išvyksta septintą valandą.
Trauki'nys iš'vyksta sep'tintą va'landą.
De trein vertrekt om zeven uur.
Laukiame traukinio prie antrojo perono.
Lau'kiame trau'kinio prie an'trojo pe'rono.
We wachten op de trein bij het tweede perron.
Naktinis traukinys į Klaipėdą buvo pilnas keleivių.
Nak'tinis trauki'nys į Klai'pėdą buvo 'pilnas ke'leivių.
De nachttrein naar Klaipėda zat vol passagiers.
Synoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd