1
werkwoord[T]
Iets hebben of bezitten; eigenaar zijn van iets of ermee voorzien zijn.
'turėti
Uitspraak
Etymologie
Inherited from Baltic; related to Latvian turēt ‘to hold, keep’ and ultimately to the Indo-European root meaning ‘to hold’ or ‘support’.
Voorbeelden
Aš turiu du brolius.
Aš 'turiu du 'brolius.
Ik heb twee broers.
Ji turi naują automobilį.
Ji 'turi 'naują automo'bilį.
Zij heeft een nieuwe auto.
Synoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd