1
werkwoord[T, I]
Een voertuig besturen of ermee rijden.
vairúoti
Uitspraak
Etymologie
Afgeleid van het Litouwse vairas „stuurwiel; roer” met het werkwoordssuffix -uoti.
Voorbeelden
Aš moku vairuoti automobilį.
Áš móku vairúoti automobílį.
Ik kan een auto besturen.
Ar gali vairuoti naktį?
Ar gáli vairúoti náktį?
Kun je ’s nachts rijden?
Collocaties
AI-gegenereerd