1
voorzetselVerleden-tijdsmarkeerder, objectmarkeerder en directionele prepositie ('van').
Vast partikel dat de oorzaak aangeeft, de verleden tijd of de plaats van een handeling.
/i/
Voorbeelden
I haere au ki te tāone inanahi.
Ik ging gisteren naar de stad.
Kei te kai ia i te āporo.
Hij eet de appel.
AI-gegenereerd