1
zelfstandig naamwoord‘werk, baan’; ook werkwoord ‘doen, maken, werken’.
De dingen die worden gedaan; werk om geld te verdienen, of ook grote betrokkenheid bij een bepaald onderwerp.
/mahi/
Voorbeelden
Kei te haere au ki te mahi.
Ik ga aan het werk.
He pai tāu mahi.
Je werk is goed.
AI-gegenereerd