1
zelfstandig naamwoordMeervoud: 'vrouwen'.
Volwassen persoon van het vrouwelijke geslacht; wordt ook gebruikt om te verwijzen naar de gehuwde vrouw.
/ˈmaːra/
Uitspraak
Voorbeelden
Il-mara qiegħda taqra ktieb.
De vrouw leest een boek.
Il-mara tiegħi ħadmet illum.
Mijn vrouw heeft vandaag gewerkt.
Antoniemen
AI-gegenereerd