1
zelfstandig naamwoord[C]
Een baas, werkgever of persoon die op het werk gezag over anderen heeft.
Uitspraak
Etymologie
Van Middelnederlands baes, met de betekenis ‘meester’ of ‘hoofd van een huishouden’; verdere herkomst onzeker.
Voorbeelden
Mijn baas heeft morgen een vergadering.
Ze vroeg haar baas om een vrije dag.
Synoniemen
Antoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd