1
zelfstandig naamwoord[U]
rust; een periode of toestand waarin men niet werkt, beweegt of actief is, vooral om te herstellen.
Uitspraak
Etymologie
Afkomstig van Middelnederlands ruste, van een West-Germaans woord dat ‘rust, stilte’ betekent; verwant aan Duits Rast en Engels rest.
Voorbeelden
Na het werk heb ik rust nodig.
De arts raadde haar veel rust aan.
Synoniemen
Antoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd