1
bijvoeglijk naamwoordbijvoeglijk naamwoord in predicatieve of attributieve positie
teleurgesteld; verdrietig of ontevreden omdat iets niet aan iemands hoop of verwachtingen voldeed
Uitspraak
Etymologie
Van het voltooid deelwoord van Nederlands teleurstellen, ‘teleurstellen’, uit te leur stellen, historisch ‘te koop aanbieden’, later met de betekenis zich anders ontwikkelen naar het uitblijven van verwachtingen.
Voorbeelden
Ze was teleurgesteld over het resultaat.
Ik ben teleurgesteld in zijn beslissing.
Collocaties
AI-gegenereerd