1
zelfstandig naamwoord[U]
zout; een witte kristallijne stof die wordt gebruikt om voedsel op smaak te brengen en te conserveren, chemisch natriumchloride
Uitspraak
Etymologie
Van Middelnederlands sout of zout, uit het Proto-Germaans *saltą, verwant aan Engels salt en Duits Salz.
Voorbeelden
Kun je het zout aangeven?
Er zit te veel zout in de soep.
Synoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd