1
zelfstandig naamwoordTijdsperiode van 24 uur; het lichte deel van de dag.
dág
Uitspraak
Voorbeelden
Det er en fin dag i dag.
Det er en fín dág i dág.
Het is een mooie dag vandaag.
Jeg jobber fem dager i uken.
Jeg jóbber fém dáger i úken.
Ik werk vijf dagen per week.
AI-gegenereerd