1
zelfstandig naamwoordDe buitenste kant van iets of van een huis; het tegenovergestelde van binnen.
/ˈfa.fo/
Voorbeelden
Alu i fafo e ta'alo.
Ga naar buiten om te spelen.
O lo'o tū i fafo o le faitoto'a.
Hij staat buiten de deur.
Antoniemen
AI-gegenereerd