1
czasownikDefinicja (Holenderski)
Verleden tijd van 'zullen'; geeft een voorwaardelijke of toekomstige situatie in het verleden aan.
zóu
Wymowa
Przykłady
Hij zei dat hij zou komen.
Hij zéi dat hij zou kómen.
He said that he would come.
Zou jij dat willen doen?
Zóu jij dat wíllen dóen?
Would you like to do that?
Wygenerowane przez AI