1
substantivoSubstantivo incontável [U]
carne de bovinos; carne bovina
rúndvlees
Pronúncia
Etimologia
Composto de Dutch rund (“animal bovino, gado”) + vlees (“carne, polpa”).
Exemplos
Ik koop rundvlees voor de stoofpot.
Ik kóóp rúndvlees voor de stóófpot.
Estou comprando carne bovina para o ensopado.
Dit rundvlees is mals en mager.
Dit rúndvlees is máls en máger.
Esta carne bovina está macia e magra.
Voor deze saus gebruik ik gemalen rundvlees.
Voor déze sáus gebrúik ik gemálen rúndvlees.
Para este molho, eu uso carne bovina moída.
Sinônimos
Colocações
mager rundvlees
gemalen rundvlees
rundvlees bakken
rundvlees stoven
stoofpot met rundvlees
Gerado por IA