1
существительное[C; plural: echtgenoten]
Мужской супруг; муж.
échtgenoot
Произношение
Этимология
From Dutch echt meaning “marriage, lawful union” and genoot meaning “companion, associate”; literally “marriage companion.”
Примеры
Mijn echtgenoot werkt in Amsterdam.
Míjn échtgenoot wérkt in Ámsterdam.
Мой муж работает в Амстердаме.
Zij kwam samen met haar echtgenoot naar het feest.
Zíj kwám sámen met háár échtgenoot naar het féést.
Она пришла на вечеринку вместе со своим мужем.
Zijn echtgenoot is ook uitgenodigd.
Zíjn échtgenoot is óók úitgenodigd.
Его муж тоже был приглашён.
Антонимы
Коллокации
mijn echtgenoot
haar echtgenoot
zijn echtgenoot
toekomstige echtgenoot
wettige echtgenoot
Сгенерировано ИИ