Ga naar inhoud
Deens

Deens woordenschat doorzoeken

100 woorden gevonden

af

voorzetsel
A1

áf

van

Geeft herkomst, принадлежность, materiaal of oorzaak aan.

altid

bijwoord
A1

áltid

altijd

Bij elke gelegenheid; zonder uitzondering.

andet

voornaamwoord
A1

'andet

Noget der adskiller sig fra det tidligere nævnte; et alternativ.

arbejde

zelfstandig naamwoord
A1

'arbejde

werk

Werk dat men verricht om geld te verdienen; een taak die men moet uitvoeren.

at

partikel
A1

át

Infinitivsmærke foran verbets grundform.

bare

bijwoord
A1

báre

alleen

Alleen, uitsluitend; in beperkte zin.

barn

zelfstandig naamwoord
A1

bárn

kind

Persoon die jonger is dan volwassen leeftijd; zoon of dochter.

bog

zelfstandig naamwoord
A1

bóg

Indbunden samling af papirark med trykt tekst eller illustrationer.

bror

zelfstandig naamwoord
A1

brór

broer

Mannelijke persoon met dezelfde ouders als de spreker.

by

zelfstandig naamwoord
A1

stad

Grotere dichtbebouwde nederzetting met ontwikkelde infrastructuur.

dag

zelfstandig naamwoord
A1

dág

Tidsperiode på 24 timer; den lyse del af døgnet.

de

voornaamwoord
A1

zij

Derde persoon meervoudig voornaamwoord; verwijst naar meerdere personen of dingen.

det

voornaamwoord
A1

dét

Tredje persons pronomen i intetkøn ental; upersonligt subjekt.

drikke

werkwoord
A1

dríkke

At indta­ge væske gennem munden.

dør

zelfstandig naamwoord
A1

'dør

En bevægelig plade der lukker en åbning i en væg.

en

determinator
A1

én

Ubestemt artikel i fælleskon ental.

er

werkwoord
A1

er

is

Tegenwoordige tijd van ‘zijn’; geeft bestaan of een toestand aan.

far

zelfstandig naamwoord
A1

fár

vader

man die een kind heeft verwekt of opgevoed

folk

zelfstandig naamwoord
A1

fólk

Gruppe af mennesker; et folks indbyggere; offentligheden.

for

voorzetsel
A1

fór

Angiver formål, årsag, ejer eller tidsperiode.

fred

zelfstandig naamwoord
A1

fréd

Fravær af krig, konflikt eller støj; indre harmoni.

gammel

bijvoeglijk naamwoord
A1

'gammel

oud

Al lange tijd bestaand; met veel jaren; tegenovergesteld aan ‘nieuw’ of ‘jong’.

god

bijvoeglijk naamwoord
A1

gód

goed

Van goede kwaliteit; bevredigend; bekwaam.

werkwoord
A1

'gå

gaan

Zich te voet verplaatsen; van de ene plaats naar de andere bewegen.

gøre

werkwoord
A1

'gøre

doen

Een handeling verrichten; iets tot stand brengen.

have

werkwoord
A1

háve

hebben

Iets bezitten, in bezit hebben of ervaren.

her

bijwoord
A1

'her

hier

plaatsadverbium dat de plaats van spreken aangeeft of een plaats dicht bij de spreker.

hjerte

zelfstandig naamwoord
A1

'hjerte

hart

Spierorgaan dat bloed pompt; centrum van gevoelens.

hjælpe

werkwoord
A1

'jaelpe

Give støtte, bistand eller assistance til nogen.

hoved

zelfstandig naamwoord
A1

hóved

hoofd

Het bovenste deel van het lichaam dat de hersenen, ogen, oren, neus en mond bevat.

hus

zelfstandig naamwoord
A1

hús

huis

Gebouw bestemd voor bewoning.

hver

determinator
A1

'hver

Som refererer til hvert enkelt individ eller objekt uden undtagelse.

hvordan

bijwoord
A1

hvordán

Spørge- eller relativadverbium om måde eller grad.

hånd

zelfstandig naamwoord
A1

'hånd

Den yderste del af armen, fra håndled til fingerspidser.

høre

werkwoord
A1

'høre

Opfatte lyd med hørelsen; få at vide.

i

voorzetsel
A1

í

in

Geeft plaats, tijd of toestand aan binnen iets.

igen

bijwoord
A1

igén

weer

nog eens; opnieuw.

ikke

bijwoord
A1

ík-ke

niet

Ontkennend woord dat een werkwoord of een hele uitspraak ontkent.

ingen

voornaamwoord
A1

íngen

Ingen person; fravær af alle.

kan

werkwoord
A1

'kan

kan

Onvoltooid tegenwoordige tijd van 'kunnen'; drukt vermogen, mogelijkheid of toestemming uit.

komme

werkwoord
A1

kómme

komen

Zich naar de spreker of een bepaald doel toe bewegen; aankomen.

kvinde

zelfstandig naamwoord
A1

kvínde

Voksen hunkøn person.

kærlighed

zelfstandig naamwoord
A1

'kaer-lig-hed

Dyb følelsesmæssig hengivenhed og tiltrækning til en person eller noget.

købe

werkwoord
A1

'købe

kopen

Iets tegen betaling aanschaffen.

land

zelfstandig naamwoord
A1

lánd

Territorium eller stat; jordens landareal.

lang

bijvoeglijk naamwoord
A1

láng

lang

Zich over een grote afstand uitstrekkend; van grote lengte of duur.

liv

zelfstandig naamwoord
A1

lív

Tilstanden af biologisk eksistens; summen af oplevelser.

lukke

werkwoord
A1

'luk-ke

sluiten

Iets in een gesloten toestand brengen.

længe

bijwoord
A1

lénge

I løbet af en lang tidsperiode.

lære

werkwoord
A1

'laere

At tilegne sig ny viden eller færdigheder.

læse

werkwoord
A1

lé-se

At opfatte og forstå skrevet tekst.

mad

zelfstandig naamwoord
A1

mád

Det man spiser; fødevarer til ernæring.

man

voornaamwoord
A1

mán

men

Onpersoonlijk voornaamwoord dat naar een onbepaald persoon verwijst.

mand

zelfstandig naamwoord
A1

'mand

Voksen hannkøn person.

med

voorzetsel
A1

'med

Angiver selskab, middel eller tilbehør.

men

voegwoord
A1

mén

maar

Tegenstellend voegwoord dat twee gedachten tegenover elkaar stelt.

mor

zelfstandig naamwoord
A1

'mor

Kvinde der har født eller opdyrket et barn.

morgen

zelfstandig naamwoord
A1

mórgen

Den tidlige del af dagen, fra solopgang til middag.

nat

zelfstandig naamwoord
A1

nát

nacht

De periode van zonsondergang tot zonsopgang; het donkere deel van de dag.

nu

bijwoord
A1

nu

Op dit moment; in het heden.

ny

bijvoeglijk naamwoord
A1

'ny

nieuw

Onlangs gemaakt, gekocht of voor het eerst voorkomend.

når

bijwoord
A1

'når

Spørge- eller relativadverbium om tid.

og

voegwoord
A1

å

en

Voegwoord dat woorden, woordgroepen of zinnen van gelijke rang verbindt.

også

bijwoord
A1

og'så

Ligeledes; på samme måde; additivt.

om

voorzetsel
A1

óm

Angiver emne, tid eller omstændighed.

penge

zelfstandig naamwoord
A1

pénge

Betalings- og byttemiddel i økonomien.

voorzetsel
A1

'på

op

Geeft ligging op een oppervlak, richting of tijd aan.

ret

zelfstandig naamwoord
A1

'ret

recht

Juridische of morele bevoegdheid; rechtsstelsel.

se

werkwoord
A1

zien

Opmerken met het zicht; begrijpen of doorgronden.

siden

bijwoord
A1

sí-den

Efterfølgende; fra et tidligere tidspunkt til nu.

sig

voornaamwoord
A1

sáj

zich

Wederkerend voornaamwoord voor de derde persoon; verwijst terug naar het onderwerp.

sige

werkwoord
A1

sí-e

Udtrykke noget i ord; meddele noget mundtligt.

skole

zelfstandig naamwoord
A1

'sko-le

Institution til uddannelse og opdragelse af børn og unge.

skrive

werkwoord
A1

skríve

At danne bogstaver eller ord med et skriveredskab.

smuk

bijvoeglijk naamwoord
A1

smúk

mooi

Dat esthetisch genot opwekt; aantrekkelijk, aangenaam.

som

voornaamwoord
A1

'som

die/dat

Betrekkelijk voornaamwoord dat verwijst naar een voorafgaande zelfstandigenaamwoordgroep.

sove

werkwoord
A1

sóve

slapen

Zich in een slaaptoestand bevinden; in bewusteloze rust verkeren.

spille

werkwoord
A1

'spille

At deltage i et spil eller udføre musik.

spise

werkwoord
A1

spíse

Føre mad til munden og synke den for ernæring.

spørgsmål

zelfstandig naamwoord
A1

'spørgsmål

Ytring der søger information eller svar; et emne der kræver løsning.

sted

zelfstandig naamwoord
A1

stéd

Bestemt rum eller position i rummet; et lokalitet.

stor

bijvoeglijk naamwoord
A1

stór

Over gennemsnittet i størrelse, antal eller betydning.

bijwoord
A1

'så

zo

in die mate; op die manier; in dezelfde mate.

sælge

werkwoord
A1

sélge

At overdrage noget til en anden mod betaling.

søster

zelfstandig naamwoord
A1

'søster

zus

Vrouwelijk kind van dezelfde ouders.

tale

werkwoord
A1

tále

Udtrykke sig i ord; samtale; formidle et budskab.

tid

zelfstandig naamwoord
A1

'tid

Det kontinuerlige forløb af begivenheder; en målbar periode.

til

voorzetsel
A1

tíl

Angiver retning, formål eller modtager.

ting

zelfstandig naamwoord
A1

tíng

Objekt eller anliggende man taler om; et materielt objekt.

tænke

werkwoord
A1

'taenke

Bruge fornuften; reflektere; have til hensigt at gøre noget.

vand

zelfstandig naamwoord
A1

vánd

Gennemsigtig, farveløs væske, kemisk formel H₂O; grundlæggende for liv.

var

werkwoord
A1

'var

Datid af 'være'; eksisterede eller befandt sig.

vej

zelfstandig naamwoord
A1

véj

En befærdet rute eller sti til transport.

verden

zelfstandig naamwoord
A1

vérden

wereld

De hele aarde of het heelal; de mensheid.

vide

werkwoord
A1

ví-de

weten

Informatie of kennis over iets hebben; zich daarvan bewust zijn.

ville

werkwoord
A1

vílle

Have ønske eller hensigt om at gøre noget.

vindue

zelfstandig naamwoord
A1

'vindue

raam

Een opening in een muur of een dak, bedekt met glas.

åbne

werkwoord
A1

'åbne

At gøre noget tilgængeligt ved at fjerne en lukning.

år

zelfstandig naamwoord
A1

'år

Tidsperiode på tolv måneder.

øje

zelfstandig naamwoord
A1

'øje

oog

Zintuigorgaan bij mensen en dieren.