Ga naar inhoud
Afrikaans

Afrikaans woordenschat doorzoeken

288 woorden gevonden

'n

determinator
A1

/ə/

een

Onbepaald lidwoord dat een niet nader bepaald zelfstandig naamwoord aanduidt.

aan

voorzetsel
A1

/ɑːn/

Voorsetsel wat rigting, aanraking of 'n ontvanger aandui.

aandete

zelfstandig naamwoord
A1

áandete

The main meal eaten in the evening; dinner or supper.

aartappel

zelfstandig naamwoord
A1

áártappel

aardappel

Een eetbare zetmeelrijke knol, die gewoonlijk als groente wordt gekookt en gegeten; een aardappel.

afguns

zelfstandig naamwoord
B2

áfguns

A resentful feeling caused by another person’s success, possessions, qualities, or advantages; envy.

alles

voornaamwoord
A1

/aləs/

Onbepaalde voornaamwoord wat na alle dinge saam verwys.

altyd

bijwoord
A1

/altɛit/

Bywoord wat 'te alle tye' of 'sonder uitsondering' beteken.

arrogant

bijvoeglijk naamwoord
B1

arrogánt

Having or showing an exaggerated sense of one’s own importance, abilities, or superiority; haughty or conceited.

as

voegwoord
A1

/as/

Voegwoord wat 'n voorwaarde of vergelyking inlei.

asseblief

tussenwerpsel
A1

/asəˈblif/

alstublieft

Beleefdheidswoord dat een verzoek verzacht.

baba

zelfstandig naamwoord
A1

bába

baby

Een baby; een heel jong kind of zuigeling.

badkamer

zelfstandig naamwoord
A1

bádkamer

A bathroom; a room with facilities for washing, typically a bath or shower and often a toilet.

baie

bijwoord
A1

/bɑjə/

Bywoord of bepaler wat 'n groot hoeveelheid of hoë graad aandui.

bak

werkwoord
A1

bák

to bake; to cook food with dry heat, especially in an oven

baklei

werkwoord
A2

bakléi

To fight physically; to engage in a fight.

bang

bijvoeglijk naamwoord
A1

báng

Afraid or frightened; feeling fear.

bed

zelfstandig naamwoord
A1

béd

bed

Een meubelstuk of een plaats die gebruikt wordt om te slapen of uit te rusten.

bedien

werkwoord
A2

bedíén

to serve someone, especially by bringing food or drink or helping a customer

berou

zelfstandig naamwoord
B1

beróu

berouw

Een gevoel van diep spijt of berouw over iets verkeerds wat men heeft gedaan.

bier

zelfstandig naamwoord
A2

bíer

An alcoholic drink made by fermenting malted grain, usually flavored with hops; beer.

bly

werkwoord
A1

blý

to stay, remain, or continue to be in a place, state, or condition

botter

zelfstandig naamwoord
A1

bótter

A soft, pale-yellow fatty food made from churned cream, used as a spread or in cooking; butter.

braai

zelfstandig naamwoord
A2

bráai

braai

Een sociaal eet- of samenzijn waarbij vlees of ander voedsel boven een open vuur of gloeiende kolen wordt bereid; een barbecue.

broek

zelfstandig naamwoord
A1

bróek

A pair of trousers or pants; an outer garment worn from the waist down, covering the legs separately.

broer

zelfstandig naamwoord
A1

bróer

A male sibling; a boy or man in relation to another child of the same parents.

brood

zelfstandig naamwoord
A1

bróód

brood

Brood, vooral als voedsel van gebakken deeg.

buigsaam

bijvoeglijk naamwoord
B1

búigsaam

buigzaam

In staat gemakkelijk te buigen zonder te breken; flexibel of buigbaar.

dag

zelfstandig naamwoord
A1

/dax/

Tydperk van vier-en-twintig uur, of die tyd wanneer dit lig is.

dan

bijwoord
A1

/dan/

Bywoord wat 'n daaropvolgende tyd of 'n gevolg aandui.

dankie

tussenwerpsel
A1

/daŋki/

dank je

Uitdrukking van dankbaarheid.

dapper

bijvoeglijk naamwoord
A2

dápper

Brave; showing courage in the face of danger, difficulty, or pain.

deur

zelfstandig naamwoord
A1

déur

A movable panel or barrier used to open and close an entrance to a room, building, cupboard, vehicle, or similar space; a door.

die

determinator
A1

/di/

de/het

Bepaald lidwoord dat een bepaald zelfstandig naamwoord aanduidt.

dink

werkwoord
A1

/dəŋk/

denken

Met het verstand overwegen; een mening hebben.

dit

voornaamwoord
A1

/dət/

Onsydige voornaamwoord wat na 'n saak, ding of feit verwys.

dogter

zelfstandig naamwoord
A1

dógter

A female child in relation to her parents; a daughter.

drie

telwoord
A1

/dri/

drie

Het telwoord voor het getal 3.

drink

werkwoord
A1

drínk

To take liquid into the mouth and swallow it.

een

telwoord
A1

/eːn/

één

Het telwoord voor het getal 1.

eerlik

bijvoeglijk naamwoord
A2

éerlik

Honest; truthful and morally upright; not deceitful or corrupt.

eerste

bijvoeglijk naamwoord
A1

/eːrstə/

Rangtelwoord wat die begin van 'n reeks aandui.

eet

werkwoord
A1

éét

eten

Eten; voedsel in de mond nemen, kauwen en doorslikken.

eggenoot

zelfstandig naamwoord
A2

eggenóót

A male spouse; a husband.

eggenote

zelfstandig naamwoord
B1

eggenóte

echtgenote

Een vrouw; een vrouwelijke echtgenoot.

eier

zelfstandig naamwoord
A1

éier

An egg: the oval or round reproductive body laid by a bird, reptile, fish, or similar animal, especially a hen’s egg used as food.

ek

voornaamwoord
A1

/ɛk/

ik

Persoonlijk voornaamwoord voor de spreker zelf.

en

voegwoord
A1

/ɛn/

Voegwoord wat woorde, sinsdele of sinne met mekaar verbind.

enkellopend

bijvoeglijk naamwoord
B1

énkellopend

single; not married or not in a romantic relationship

familie

zelfstandig naamwoord
A1

famílie

A group of people related by blood, marriage, adoption, or close kinship; one’s relatives.

gaan

werkwoord
A1

/xɑːn/

Werkwoord wat beweging na 'n plek aandui, of as hulpwerkwoord die toekoms aandui.