Ga naar inhoud
Duits

Duits woordenschat doorzoeken

298 woorden gevonden

aber

voegwoord
A1

áber

Adversative Konjunktion; drückt einen Gegensatz oder eine Einschränkung aus.

alles

voornaamwoord
A1

álles

Indefinitpronomen im Neutrum; bezeichnet die Gesamtheit aller Dinge oder Sachverhalte.

als

voegwoord
A1

áls

als; dan

Wordt gebruikt in vergelijkingen en in tijdelijke bijzinnen die eenmalige gebeurtenissen in het verleden aanduiden.

also

bijwoord
A1

ál-so

Drückt eine Schlussfolgerung, Zusammenfassung oder Bekräftigung aus.

am

voorzetsel
A1

ám

op, aan

samentrekking van ‘an dem’; geeft tijdstip of plaats aan.

an

voorzetsel
A1

án

Gibt die Position an einer Oberfläche, einem Rand oder einem Zeitpunkt an.

andere

bijvoeglijk naamwoord
A1

'andere

Bezeichnet eine von der genannten verschiedene oder zusätzliche Person oder Sache.

Angst

zelfstandig naamwoord
A2

Ángst

angst

vrees, angst of een sterk gevoel van bevreesd zijn, vooral vóór gevaar, pijn of een onaangename situatie.

anmachen

werkwoord
A2

ánmachen

aanzetten

Een apparaat, lamp, machine of warmtebron aanzetten.

antworten

werkwoord
A1

'antworten

antwoorden

iemand of een vraag, bericht of uitspraak beantwoorden of erop reageren

anziehen

werkwoord
A1

ánziehen

aantrekken

een kledingstuk of iets wat je op het lichaam draagt aantrekken

Apfel

zelfstandig naamwoord
A1

'Apfel

appel

Een ronde, eetbare vrucht met stevig vruchtvlees en een dunne schil, doorgaans rood, groen of geel; een appel.

Arbeit

zelfstandig naamwoord
A1

Árbeit

Zielgerichtete körperliche oder geistige Tätigkeit; Beschäftigung gegen Entgelt.

auch

bijwoord
A1

'auch

Drückt Hinzufügung, Gleichheit oder Bestätigung aus.

auf

voorzetsel
A1

áuf

Gibt Lage oder Bewegung auf einer Oberfläche an; drückt auch Ziel oder Richtung aus.

aufgeregt

bijvoeglijk naamwoord
A2

áufgeregt

opgewonden

opgewonden of gespannen, vooral omdat iets leuks of belangrijks op het punt staat te gebeuren.

aufstehen

werkwoord
A1

'aufstehen

opstaan

opstaan; uit bed komen na het slapen of rusten

aus

voorzetsel
A1

áus

uit

Geeft de herkomst, het materiaal of het uitgangspunt van een beweging aan.

ausmachen

werkwoord
A2

'ausmachen

uitzetten

iets uitzetten, uitschakelen of doven

ausziehen

werkwoord
A1

áusziehen

uittrekken

kleding, schoenen of iets dat op het lichaam wordt gedragen uittrekken of verwijderen

backen

werkwoord
A1

bácken

bakken

bakken; voedsel, vooral brood, cake of gebak, bereiden of koken met droge hitte in een oven

Banane

zelfstandig naamwoord
A1

'Banane

banaan

Een banaan: een lange, kromme, meestal gele tropische vrucht met zacht, zoet vruchtvlees; ook, minder vaak, de bananenplant.

bei

voorzetsel
A1

béi

bij

Geeft nabijheid, toebehoren, aanwezigheid of bijkomende omstandigheden aan.

bekommen

werkwoord
A1

be'kommen

krijgen

iets krijgen, ontvangen of gegeven worden

beschämt

bijvoeglijk naamwoord
B1

be'schämt

beschaamd

zich schamend, beschaamd of verlegen voelend vanwege iets wat men heeft gedaan of meegemaakt

Bett

zelfstandig naamwoord
A1

'Bett

bed

een meubelstuk of voorbereide plaats die wordt gebruikt om te slapen of uit te rusten; een bed.

Beziehung

zelfstandig naamwoord
A2

Bezíehung

relatie

Een relatie of verbinding tussen mensen, groepen, dingen of ideeën.

Bier

zelfstandig naamwoord
A1

Bíer

bier

Een alcoholische drank gemaakt door gefermenteerde gemoute granen, meestal op smaak gebracht met hop; bier.

bis

voorzetsel
A1

bís

tot

Geeft het eindpunt van een tijds- of ruimtelijke uitgestrektheid aan.

bitte

partikel
A1

bítte

alstublieft

Gebruikt om een verzoek beleefd te maken; alstublieft.

bitten

werkwoord
A1

bítten

vragen

iemand vragen iets te doen, of beleefd om iets vragen

braten

werkwoord
A2

bráten

braden

voedsel in heet vet of door droge hitte bereiden; bakken, roosteren of in de pan bakken

brauchen

werkwoord
A1

bráuchen

nodig hebben

iets of iemand nodig hebben; iets of iemand vereisen

Brot

zelfstandig naamwoord
A1

Brót

brood

Brood; een basisvoedingsmiddel dat wordt gemaakt door deeg te bakken, meestal van meel, water, gist of zuurdesem en zout.

Bruder

zelfstandig naamwoord
A1

Brúder

broer

Mannelijke broer; een jongen of man die dezelfde ouders heeft als een ander.

Brötchen

zelfstandig naamwoord
A1

'Brötchen

broodje

Een klein broodje, meestal gegeten bij het ontbijt of als snack, vaak doorgesneden en besmeerd met boter, jam, kaas of vleeswaren.

Butter

zelfstandig naamwoord
A1

Bútter

boter

Een bleekgele vetstof gemaakt van room, gebruikt als broodbeleg en in koken of bakken.

chaotisch

bijvoeglijk naamwoord
B1

chaótisch

chaotisch

wanordelijk, verward of zonder duidelijke structuur; chaotisch

Cola

zelfstandig naamwoord
A1

'Cola

cola

Een zoete, meestal bruine, koolzuurhoudende frisdrank met de smaak van kolanoot of vergelijkbare smaakstoffen.

Cousin

zelfstandig naamwoord
A2

Cousín

neef

Mannelijke neef; de zoon van je tante of oom.

Cousine

zelfstandig naamwoord
A2

Cousíne

nicht

een vrouwelijke neef of nicht; de dochter van iemands tante of oom

da

bijwoord
A1

'da

Gibt einen Ort an, der vom Sprecher entfernt ist; auch zeitlich für einen bestimmten Moment.

danke

tussenwerpsel
A1

dánke

dank je

Gebruikt om dank uit te drukken; dank je, bedankt.

dann

bijwoord
A1

dánn

dan

Geeft een tijdsvolgorde of logische gevolgtrekking aan.

das

determinator
A1

dás

Bestimmter Artikel im Neutrum Singular; bestimmt ein sächliches Substantiv näher.

dass

voegwoord
A1

dáss

dat

Onderschikkend voegwoord dat een bijzin inleidt die een feit of een mededeling aangeeft.

dem

determinator
A1

dém

de/het

Bepaald lidwoord in de datief van het mannelijk en onzijdig enkelvoud.

den

determinator
A1

dén

de

Bepaald lidwoord in het mannelijk enkelvoud (accusatief) en in het meervoud (datief).

denken

werkwoord
A1

dénken

denken

de geest gebruiken; denken, redeneren of nadenken

der

determinator
A1

'der

de (m.)

Bepaald lidwoord in het mannelijk enkelvoud; bepaalt een mannelijk zelfstandig naamwoord nader.